Laat ik maar meteen eerlijk zijn: als je niet tegen wind kan, heb je in Zeeland niks te zoeken. Serieus, ik ben er al tientallen keren geweest, van hartje zomer tot diep in de gure winter, en het waait er eigenlijk altijd. Maar dat is precies waarom we erheen gaan, toch? Dat beroemde ‘uitwaaien’ is geen lege marketingterm van het VVV; het is gewoon wat er gebeurt zodra je de Zeelandbrug of de Westerscheldetunnel door bent.
Zeeland is voor mij de provincie van contrasten. Aan de ene kant heb je dat bijna on-Nederlandse licht waar kunstenaars als Mondriaan lyrisch over deden, en aan de andere kant sta je soms tot je enkels in de modder te wachten tot de pont bij Breskens aanmeert. Het is chique in Domburg en rauw in Vlissingen. En het eten? Tja, als je van alles houdt dat uit zout water komt, is dit de hemel op aarde. Laten we eens kijken wat je nou écht moet weten voor een tripje naar de Zeeuwse eilanden, zonder de standaard praatjes uit de folders.
De stranden: Meer dan alleen zandhappers
Iedereen roept altijd dat Zeeland de meeste zonuren van Nederland heeft. Dat zal het KNMI vast bevestigen, maar vergeet niet dat je die zon vaak pakt terwijl je strak in een windjack zit. De kustlijn hier is diverser dan je op de kaart zou denken.
Neem nou Domburg. Dit voelt soms bijna niet als Nederland. Het heeft een soort grandeur uit de vorige eeuw, met dat Badpaviljoen bovenop de duinen. Je ziet er veel Duitsers (oke, dat is in heel Zeeland zo), maar het publiek is hier wat… gepolijster. Het strand is breed, schoon en die typische paalhoofden (die houten palenrijen in het water) maken het fotogeniek. Pas wel op als je gaat zwemmen bij die palen; de onderstroom is verraderlijk en ik heb me daar als kind wel eens lelijk aan opengehaald. Niet doen dus.
Dan heb je Zoutelande. Ja, we kennen het liedje, laten we dat overslaan. Wat je hier vooral merkt, is dat het strand écht op het zuiden ligt. Tegen de duinen aan zitten is hier vaak net een paar graden warmer dan elders. Het is er druk, zeker in augustus, maar als je even doorloopt richting Westkapelle wordt het snel rustiger.
Wat je niet vaak in de lijstjes ziet, maar wat ik persoonlijk fantastisch vind:
- Het strand bij de Brouwersdam is een paradijs voor actievelingen. Hier zie je honderden kitesurfers tegelijk. Zelfs als je zelf niet surft: parkeer je auto (gratis aan de kant, ideaal), trek een blikje open en kijk naar de chaos op het water.
- In Zeeuws-Vlaanderen, bij Cadzand en Nieuwvliet, vind je haaientanden. Echt waar. Vorige zomer nog liep ik daar met mijn neefje en binnen een half uur hadden we drie zwarte, fossiele haaientanden gevonden in het vloedlijn-gruis. Kost niks, en kinderen vinden het prachtig.
- Vrouwenpolder is enorm breed. Vooral bij eb moet je een heel eind lopen voor je bij het water bent. Het voordeel? Je hebt hier de ruimte. Geen handdoekje-aan-handdoekje taferelen.
Middelburg & Vlissingen: Broer en zus, maar totaal verschillend
Als je een dagje geen zand tussen je tenen wilt, kom je al snel uit bij Middelburg of Vlissingen. Ze liggen tegen elkaar aan (je fietst het in twintig minuten via het ja,agpad langs het kanaal), maar de sfeer kon niet meer verschillen.
Middelburg: Monumentaal gezellig
Middelburg is de stad waar je met je schoonouders heen gaat. Prachtige oude panden, de Lange Jan die overal bovenuit torent (klim die toren op als je kuiten van staal hebt, het uitzicht over Walcheren is het waard), en dat enorme stadhuis op de Markt.
Mijn tip: duik de steegjes in rondom de Vismarkt en het Damplein. De Kuiperspoort is zo’n plekje dat bijna te mooi is om waar te zijn, vol met oude pakhuizen. Voor koffie of lunch zit je goed bij zaken als De Juf of Honeypie, al moet je daar soms wel even wachten op een plekje. Het is er populair, en terecht. Verder is de sfeer hier gemoedelijk. Beetje winkelen, beetje cultuur snuiven, en afsluiten met een lokaal biertje.
Vlissingen: Rauw aan zee
Vlissingen is anders. Het is een havenstad, en dat voel je. Het is minder ‘aangeharkt’ dan Middelburg, wat ik persoonlijk wel kan waarderen. De grootste attractie hier is gratis: de Boulevard.
Nergens anders in Europa varen de zeeschepen zo dicht langs de kust. Je zit op een terrasje, je drinkt je cappuccino, en ineens schuift er een containerreus van 300 meter of een loodsboot voorbij alsof je ze aan kunt raken. Heel indrukwekkend. Vlissingen heeft ook wat meer dat edge randje. Loop eens door het Bellamypark; daar zitten de kroegen en restaurants dicht op elkaar. Michiel de Ruyter kijkt vanaf zijn sokkel streng toe over het water.
Mosselen, Oesters en Bolussen
Je kunt niet over een vakantie in Zeeland schrijven zonder het over eten te hebben. En nee, dan bedoel ik niet de friettenten (hoewel een frietje stoofvlees er na een strandwandeling altijd wel in gaat).
De Zeeuwse Mossel
Het seizoen start ergens in juli en loopt door tot april, dus dat “alleen in de maanden met een R” verhaal is inmiddels wat achterhaald, al blijft het hangen. De beste plek om ze te eten is natuurlijk Yerseke. Ik ben eens bij de oesterputten geweest waar je zo’n rondleiding krijgt. Het ruikt er naar zilt, wier en hard werken.
Als je mosselen bestelt in een restaurant, let dan even op de grootte. Je hebt ‘Goudmerk’ en ‘Jumbo’, waarbij Jumbo vaak groter is. Eet ze zoals de locals het doen: gebruik een lege schelp als knijper om de volgende mossel uit zijn huisje te halen. Geen vork nodig. En doop ze in de mosselsaus of gewoon in het kookvocht.
Oesters & Kreeft
Voor de liefhebbers van het glibberige goud: de platte Zeeuwse oester is exclusiever, maar de wilde oester (de creuse) is overal. Je mag ze zelfs, met een vergunning en aan bepaalde regels gebonden, zelf rapen op sommige plekken langs de Oosterscheldedijk. Laarzen aan, emmer mee, oestermesje (en een handschoen, want die krengen zijn scherp!) en je hebt je avondeten bij elkaar. Check wel even goed de regels en waterkwaliteit voordat je dit doet.
En dan tenslotte: de Zeeuwse Bolus.
Kijk, dit is een gevoelig onderwerp. Een goede bolus moet klef zijn. Niet een beetje plakkerig, nee, je vingers moeten er echt vies van worden. Als hij droog is, is hij oud of slecht gebakken. De smaak is een mix van bruine suiker, kaneel en dat zachte witbrooddeeg. Bij de bakker om de hoek smaken ze vaak beter dan bij de grote supermarktketens. Veel mensen smeren er roomboter op. Ik vind dat persoonlijk wat overdreven – er zit al genoeg suiker in om een marathon op te lopen – maar probeer het vooral.
Praktische zaken voor je vertrekt
Nog een paar dingen die ik door schade en schande heb geleerd over vakantie vieren in deze provincie:
- De Westerscheldetunnel is niet gratis. Veel mensen vergeten dit. Voor een personenauto tik je gewoon een paar euro af (en met caravan is het duurder). Er zijn dagen dat het tolvrij is, maar reken er niet op.
- Fietsen in Zeeland is topsport als je wind tegen hebt. Elektrische fietsen zijn hier geen luxe voor bejaarden, maar een noodzakelijk kwaad als je de 30 kilometer langs de zeedijk wilt overleven zonder hartverzakking. De wind komt meestal uit het zuidwesten, dus plan je route slim.
- Boek in de zomermaanden je restaurant op tijd. In dorpjes als Veere of Renesse zit alles op zaterdagavond gewoon tjokvol. Op de bonnefooi binnenlopen eindigt vaak met een pizza op een bankje (wat ook charmant is, maar toch).
- De N57 kan in het hoogseizoen een drama zijn. Wisseldagen op campings zorgen voor files. Als je kan, rij dan vroeg in de ochtend of juist later op de avond.
Zeeland is uiteindelijk de plek waar je hoofd leegwaait. Of je nu met een boek in een strandtent zit bij Cadzand, of mosselen zit te pellen in Philippine, het tempo ligt hier net even wat lager. En dat is, wat mij betreft, precies de bedoeling van vakantie.
