Kamperen in Frankrijk: De Mooiste Regios

Laten we maar meteen met de deur in huis vallen: er bestaat geen land waar wij Nederlanders zo’n intense haat-liefdeverhouding mee hebben tijdens de zomervakantie als Frankrijk. En toch, zodra de eerste zonnestralen in februari doorbreken, begint het bij mij alweer te kriebelen. Ik zie mezelf alweer zitten op zo’n klapstoeltje voor de tent, met een glas lauw geworden rosé en die onmiskenbare geur van dennenhars en stoffige gravel in mijn neus.

Frankrijk is niet zomaar een bestemming; voor ons is het bijna een religie. Ik schrijf dit niet als iemand die een keer een folder heeft doorgebladerd, maar als iemand die al dertig jaar met de caravan, vouwwagen en tent door de ‘Hexagone’ trekt. Van compleet verregenen in de Vogezen tot wegsmelten in de Ardèche; ik heb het allemaal meegemaakt. Travelzone.nl staat vol met reisadvies, maar kamperen in Frankrijk is echt een vak apart. Het vergt een bepaalde mindset. Je moet kunnen genieten van het feit dat je ’s ochtends met je wc-rol onder de arm over de camping loopt en ‘Bonjour’ mompelt tegen mensen die je thuis waarschijnlijk niet eens zou groeten.

In dit artikel duiken we niet in de standaard VVV-praatjes. Ik neem je mee naar de regio’s die er echt toe doen, deel mijn frustraties over de tentharingen in de rotsbodem van de Provence, en geef je tips die je behoeden voor de grootste valkuilen (zoals die verdomde Zwarte Zaterdag).

De Provence: Krekels, Hitte en Lavendelstress

Als iemand “kamperen Frankrijk” zegt, denken de meesten direct aan de Provence. En eerlijk is eerlijk, het is er prachtig. Maar laten we ook reëel zijn: in juli en augustus is het er druk. En heet. Ik herinner me een zomer in de buurt van Avignon waar de temperatuur om tien uur ’s ochtends al de 30 graden aantikte. Je tent verandert in een sauna en je enige redding is het zwembad of die ene boom die net een postzegel schaduw geeft.

Toch blijf ik terugkomen. Waarom? Vanwege het licht. Dat gouden licht in de namiddag, zo rond een uur of zes, is nergens anders zo mooi. De Luberon en de Vaucluse zijn klassiekers, maar als je slim bent, zoek je de randjes op. Ga eens kijken rondom de Mont Ventoux, maar dan niet aan de kant van Bedoin waar elke wielertoerist samenklontert. De noordkant, rondom Brantes, is rustiger en minstens zo mooi.

Wat je wel moet weten over de bodem hier: die is genadeloos hard. Ik heb meer haringen kromgeslagen in de Provence dan waar ook ter wereld. Neem spijkerharingen mee en een echte hamer, niet zo’n lullig rubberen dingetje dat bij je tent zat.

De Gorges du Verdon: Het Blauwe Goud

Je kunt niet over de Provence praten zonder de Verdon te noemen. Het water is er zo bizar blauw dat het bijna nep lijkt op foto’s. Kamperen bij het Lac de Sainte-Croix is fantastisch, maar wees bereid om hutjemutje te staan in het hoogseizoen. Mijn advies? Rij iets verder landinwaarts richting Castellane. Daar zijn de campings vaak ruimer opgezet en lig je nog steeds aan de rivier, al is de stroming daar wel iets sterker. Leuk voor de kinderen om met een luchtbedje vanaf te drijven (wel even opletten waar ze uitstappen).

De Dordogne: Klein Nederland aan de Rivier

Er is een running gag onder reisschrijvers dat je in de Dordogne geen Frans hoeft te kunnen, omdat de bakker toch wel Nederlands spreekt. Dat is overdreven, maar het klopt dat wij Nederlanders massaal naar dit gebied trekken. En dat is niet voor niets. De Dordogne heeft een balans die je bijna nergens anders vindt: groene heuvels, kastelen die zo uit een ridderfilm lijken te komen, en natuurlijk die rivier.

Het waterpeil in de zomer is meestal laag genoeg dat je er veilig in kunt zwemmen, zelfs met jongere kinderen. Kanoën is hier verplichte kost. Serieus, als je geen kano huurt en onder die vijf kastelen door peddelt bij Beynac en Castelnaud, ben je niet echt in de Dordogne geweest. Het enige nadeel is de drukte op het water rond het middaguur. Het lijkt soms wel de A2 tijdens de spits, maar dan met plastic boten. Ga vroeg in de ochtend, rond negen uur. Dan heb je de rivier voor jezelf en zie je misschien nog een ijsvogel scheren over het water.

  • Kijk goed naar de ligging van de camping ten opzichte van de weg. Het geluid draagt ver in het dal. Een camping direct aan de rivier is top, maar als de D703 er strak langs loopt, lig je ’s nachts wakker van de vrachtwagens.
  • De markten in Sarlat zijn legendarisch, maar ook een hel om te parkeren. Ga op woensdagochtend héél vroeg, of sla het over en ga naar een kleiner dorpje zoals Saint-Cyprien. Zelfde worst, zelfde kaas, minder ellebogenwerk.
  • Vergeet de grotten van Lascaux niet, maar boek je tickets weken van tevoren online. Ik heb al te vaak gezinnen teleurgesteld zien afdruipen bij de ingang omdat alles vol zat.

Bretagne en Normandië: Voor de Hittehaters

Niet iedereen wordt gelukkig van 35 graden en stof. Misschien ben jij wel zo iemand die ’s nachts gewoon onder een dekbed wil slapen zonder dat het laken aan je lijf plakt. Dan moet je naar het noordwesten. Bretagne is ruig, Keltisch en barst van de karaktervolle campings aan de kust. De kustlijn bij Ploumanac’h met die roze granietrotsen is werkelijk buitenaards.

Het weer is hier wel een dingetje. Het kan twee weken stralend blauw zijn, maar het kan ook drie dagen miezeren met een straffe wind. Een goede stormband voor je voortent is hier geen overbodige luxe; het kan aan de kust flink spoken. Maar de beloning is groot: verse oesters voor een paar euro per kilo, cider die smaakt naar appels in plaats van naar suikerwater, en stranden die niet zo vol liggen dat je de buurman ruikt.

Camping Municipal vs. De Mega-Resorts

Frankrijk heeft iets unieks wat je in andere landen nauwelijks ziet: de Camping Municipal. Dit zijn campings die beheerd worden door de gemeente. Vroeger hadden ze een stoffig imago, maar vergis je niet, dit zijn vaak de pareltjes. Ze liggen vaak op A-locaties (vlakbij het dorpsplein of direct aan de rivier) omdat de grond al decennia in bezit is van de gemeente. De voorzieningen zijn simpel – verwacht geen waterparadijzen met twaalf glijbanen of animatieteams die ‘s ochtends de Macarena dansen – maar de sfeer is er authentiek en de prijs is lachwekkend laag. Voor nog geen twintig euro per nacht sta je soms op de mooiste plekken.

Aan de andere kant van het spectrum heb je de 5-sterren ‘dorpen’. Ja, ik noem het dorpen, want dat zijn het. Bakker, slager, drie restaurants en een waterpark waar Center Parcs jaloers op zou zijn. Als je tieners bij je hebt, ontkom je hier bijna niet aan. Ze willen vrienden maken en chillen bij het zwembad. Mijn ervaring? Het is duur en massaal, maar het comfort is hoog. De toiletgebouwen zijn vaak schoner dan mijn badkamer thuis. Het is maar net wat je zoekt.

Praktische Tips voor de Familie (Geleerd door Schade en Schande)

Na al die jaren heb ik een lijstje in mijn hoofd dat ik standaard afdraai. Dingen die fout zijn gegaan en die ik jou wil besparen. Het gaat vaak om de kleine ergernissen die een vakantie net even minder ontspannen maken.

Het Gasfles Dilemma

Dit klinkt suf, maar luister even: Frankrijk is het land van Campingaz (die blauwe flessen). Als jij een mooie buitenkeuken hebt gekocht met een Duitse DIN-aansluiting of zo’n groene fles die je in Nederland hebt laten vullen, heb je een probleem als die leeg raakt. Franse supermarkten ruilen die niet om. Zorg dat je de juiste verloopnippels bij je hebt of, nog beter, reis gewoon met Campingaz flessen als je naar Frankrijk gaat. Ze zijn overal te krijgen, van de hypermarché tot het kleinste dorpswinkeltje.

De Strakke Zwembroek

Heren, opgelet. Dit is geen fabeltje. Op veel Franse campings (en gemeentelijke zwembaden) zijn die wijde zwemshorts (boardshorts) strikt verboden in verband met hygiëne. Ze willen strakke zwembroeken zien. De klassieke Speedo of zo’n strak pijpje. Ik heb volwassen mannen woedend discussies zien voeren met badmeesters, maar je wint het niet. De badmeester is de baas. Stop gewoon zo’n strak ding in je koffer, al draag je hem alleen onder je short tot aan de rand van het bad. Het scheelt je een hoop gedoe.

Tolwegen en De Zwarte Zaterdag

Ik snap dat je geld wilt besparen, maar de Route Nationale nemen met een caravan achter je auto is vaak een illusie van besparing. Je staat constant stil voor rotondes, stoplichten en dorpskernen. Het kost je uren extra en je brandstofverbruik schiet omhoog door het optrekken. Koop zo’n tolbadge (Bip&Go of via de ANWB). Het gevoel dat je door kunt rijden bij de ‘t’-poortjes terwijl de rij daarnaast staat te klooien met creditcards en wisselgeld, is onbetaalbaar. Het voelt als VIP-behandeling voor een paar euro extra per maand.

En Zwarte Zaterdag… tja. Als je kunt, vermijd die zaterdagen eind juli en begin augustus. Kan het niet anders? Ga dan niet ’s nachts rijden om vervolgens alsnog om 07:00 uur vast te staan bij de Autoroute du Soleil ter hoogte van Lyon. Plan een overnachting halverwege, in de buurt van Dijon of Macon. Boek die wel maanden van tevoren, want elk Formule 1-hotel zit vol.

Conclusie: De Franse Slag

Kamperen in Frankrijk werkt het beste als je je een beetje overgeeft aan de chaos. Dingen gaan kapot, de elektriciteit valt soms uit als iedereen tegelijk gaat koken, en bij de receptie zijn ze tijdens lunchtijd (tussen 12:00 en 14:00, heilig!) echt niet open, ook al sta jij daar net met je bezwete hoofd na een rit van twaalf uur.

Maar dan is er die avond. De krekels worden langzaam stil. Je schenkt een glas wijn in die je voor drie euro bij de lokale boer hebt getapt. Je ziet je kinderen spelen met Franse, Engelse en Duitse kinderen en ze begrijpen elkaar blindelings. Dat is het moment waarvoor je die 1200 kilometer hebt gereden. Frankrijk blijft, ondanks alles, onovertroffen.