Kamperen in Europa: Van Natuurcampings tot Glamping

Er is een specifiek moment dat iedereen die ooit gekampeerd heeft herkent. Het is dag één, je hebt net drie uur in de auto gezeten (of twaalf, als je richting de Dordogne rijdt), je staat op een grasveld dat net iets schever loopt dan het op de foto’s leek, en je probeert die ene gebogen tentstok in een sleuf te krijgen die daar duidelijk niet voor gemaakt is. Het zweet breekt je uit. Je partner kijkt bedenkelijk naar de lucht. Waarom doen we dit ook alweer?

Maar dan staat ’ie. De eerste rits gaat open. Je trekt een biertje of een fles rosé open die lauw is geworden in de kofferbak, en je gaat zitten in zo’n inklapstoeltje dat eigenlijk net niet lekker zit. Je kijkt om je heen, ziet de buren onhandig doen met een haring, en je voelt de rust neerdalen. Dat is kamperen. Het is een haat-liefdeverhouding die, als het virus je eenmaal pakt, nooit meer weggaat. Bij Travelzone.nl hebben we alles wel gezien: van lekkende koepeltentjes in de Ardennen tot glamping-safaritenten met regendouche in Toscane. En laten we eerlijk zijn: de wereld van kamperen is de laatste tien jaar compleet veranderd.

De Evolutie: Van Primitief naar ‘Glamp’

Vroeger was het simpel. Je had mensen met een tent en mensen met een caravan. De caravanners keken meewarig naar de tentbewoners als het regende, en de tentbewoners vonden de caravanners maar burgerttruten. Tegenwoordig is dat landschap totaal versnipperd. Je hoeft niet meer te kiezen tussen afzien of een hotel.

Neem nou Glamping. Een vreselijk woord, vind ik persoonlijk, maar het concept is briljant. Je komt aan, en alles staat er al. Geen gedoe met haringen, geen luchtbed dat om drie uur ’s nachts langzaam leegloopt waardoor je heup de koude grond raakt. Wij sliepen laatst in een ‘Lodge’ in Zuid-Frankrijk met eikenhouten vloeren en een Nespresso-apparaat. Is dat nog kamperen? De puristen zeggen “nee”, maar als je ’s ochtends met je kop koffie op je veranda naar de vogels luistert, voelt het wel zo. Het grote verschil is dat je rug na twee weken niet voelt alsof je door een vrachtwagen bent overreden.

Toch blijft de charme van de eigen uitrusting onovertroffen voor een grote groep. Er is een speciale subcultuur van mensen die zweren bij katoenen tenten (denk aan De Waard). Die dingen wegen zóveel dat je auto bijna door de vering zakt, en als ze nat worden moet je nog drie dagen wachten voor je weg kunt, maar ze staan als een huis. Het klimaat binnenin is heerlijk, heel anders dan in die synthetische zweettentjes waar het bij de eerste zonnestraal 40 graden wordt.

Kamperen in Nederland: De kunst van het buienradar-checken

Veel mensen denken bij vakantie meteen aan de grens oversteken, maar Nederland is stiekem een van de beste kampeerlanden ter wereld. Mits je een beetje flexibel bent met je verwachtingen over de zon. De faciliteiten zijn hier namelijk ongekend goed. Als je ooit op een gemiddelde camping in Italië hebt gestaan waar je muntjes moet kopen voor drie minuten lauw water, is een Nederlands sanitairgebouw een verademing. Vloerverwarming, familiedouches, alles brandschoon.

Wat Nederland echt uniek maakt, zijn de zogenaamde Natuurkampeerterreinen. Dit is een specifiek netwerk, gemarkeerd met het groene bordje. Hier vind je geen animatieteam dat ’s ochtends om tien uur “Tchu Tchu Wa” door een speaker brult. Geen disco. Geen stacaravans die eruitzien alsof ze er al sinds 1980 staan. Alleen rust, bomen, en mede-kampeerders die fluisteren als het donker wordt. Voor iedereen die de drukte van de Randstad wil ontvluchten, zijn plekken op de Veluwe of in Drenthe goud waard. Je moet wel even dat ‘Groene Boekje’ aanschaffen, anders kom je er niet op.

Het risico is natuurlijk het water. Ik heb zomers meegemaakt in Zeeland waarbij we greppels om de voortent moesten graven om te voorkomen dat de hele inboedel wegderijft. Dat hoort erbij. Het creëert een soort verbroedering op de camping. Iedereen helpt elkaar, leent schepjes uit, en als de zon dan eindelijk doorbreekt, waardeer je hem des te meer.

Frankrijk: De eeuwige klassieker

Ondanks de opkomst van Kroatië en Slovenië, blijft Frankrijk voor ons Nederlanders toch kampeerland nummer één. Het heeft iets te maken met de geur van naaldbomen en die specifieke, stoffige grond in het zuiden. En natuurlijk de ochtendroutine: met je slaaphoofd en een paar munten naar de campingwinkel sloffen voor een baguette tradition en croissants.

Maar let op, Frankrijk kent twee gezichten:

  • Je hebt de gigantische ‘Yellow Village’ of ‘Capfun’ achtige dorpen. Dit zijn eigenlijk pretparken waar je toevallig ook kunt slapen. Zwembaden met zeven glijbanen, elke avond show, en 1500 euro per week voor een stacaravan in het hoogseizoen is geen uitzondering. Voor tieners is dit de hemel, voor rustzoekers de hel.
  • Daartegenover staan de Camping Municipal terreinen. Vaak gerund door de lokale gemeente. Simpel, spotgoedkoop (soms nog geen 15 euro per nacht), en vaak op fantastische locaties aan de rand van zo’n slaperig dorpje. Het sanitair is hier vaak… laten we zeggen ‘nostalgisch’. De kans dat je een hurktoilet tegenkomt is zeker aanwezig. Mijn tip: neem altijd, maar dan ook altijd, je eigen rol wc-papier mee onder de arm. In Frankrijk hangt het vaak buiten de hokjes (waarom?!), of is het gewoon op.

Uitrusting: Wat je écht nodig hebt (en wat niet)

Als je de folders van kampeerwinkels gelooft, heb je een aanhanger nodig voor alle gadgets. Opvouwbare wijnglazen, speciale kampeer-broodroosters, elektrische vliegenmeppers. Trap er niet in. Na jaren ervaring weet ik dat het succes van je vakantie vaak afhangt van een paar saaie, praktische zaken. Dingen die je vergeet totdat je ze mist.

De onmisbare items die niemand noemt

Vergeet de standaard paklijstjes die je overal ziet. Dit zijn de dingen waar je spijt van krijgt als je ze niet hebt:

  • Regel die blauwe CEE-stekker, maar neem vooral een verloopje naar een normale stekker mee. Je zult net zien dat jij op die ene camping in de Ardèche staat waar de stroomkast nog uit 1970 stamt en je die moderne blauwe joekel nergens in krijgt. Zonder stroom geen koelbox, en lauw bier is reden tot echtscheiding.
  • Haringen voor verschillende ondergronden zijn geen luxe. Die standaard dunne pennetjes die bij je tent zitten? Die buigen dubbel zodra ze een Frans kiezeltje zien. Koop een set rotspennen (die zware spijkers) en een degelijke hamer, niet zo’n rubberen speelgoedding. In Nederland (zand/gras) heb je juist weer die brede houten of plastic haringen nodig voor grip.
  • Een goede stoel is belangrijker dan een goed bed. Serieus. Je zit uren voor je tent te lezen, te eten of te borrelen. Die goedkope paraplu-stoeltjes die in je rug snijden, verpesten je hele houding. Merken als Crespo of Lafuma zijn duur, maar ze gaan twintig jaar mee en je rug zal je dankbaar zijn.
  • Duct tape en tie-wraps. Hiermee repareer je alles: van een gescheurd grondzeil tot een afgebroken scheerlijn of een lekkende schoen. Ik heb ooit een halve luifelstok gespalkt met tie-wraps na een stormbui, en het hield de rest van de vakantie.

Koken op de camping

Koken met één of twee pitjes vereist planning. Eenpansgerechten zijn koning. Maar het grootste struikelblok is koffie. Als je een koffiesnob bent (zoals ik), is campingkoffie vaak lijden. Oploskoffie is voor noodgevallen. Een Moka Pot (zo’n Italiaans pruttelpotje) werkt fantastisch op gas, is onverwoestbaar en geeft prima espresso. Voor grotere groepen is de ouderwetse opschenkfilter op een thermoskan de enige manier om niet de hele ochtend water te staan koken.

En over koelen gesproken: koelboxen op 12 volt (voor in de auto) trekken je accu leeg als je niet uitkijkt. Op de camping heb je een compressor-koelbox nodig als je echt koud wilt koelen bij 30 graden buitentemperatuur. Die thermo-elektrische boxen koelen maar tot 20 graden onder de omgevingstemperatuur. Als het in je voortent 35 graden is, is je boter dus 15 graden. Dat is vloeibaar.

Het mentale aspect: ‘Onthaasten’ is niet optioneel

Het grappige aan kamperen is de vertraging van de tijd. Thuis heb je een vaatwasser, een magnetron en een thermostaat. Op de camping duurt alles drie keer zo lang. De afwas doen is een sociaal uitje naar het sanitairgebouw, inclusief wachten op je beurt en een praatje maken met die man uit Rotterdam die vindt dat de campingbaas het gras niet goed maait. Koffie zetten duurt tien minuten. Aankleden in een krappe tent is een yogasessie.

Je moet je hieraan overgeven. Wie probeert zijn efficiënte thuisritme vol te houden op een camping, wordt gek. Accepteer dat er mieren in de suikerpot zitten. Accepteer dat je buren elke ochtend ruzie maken over wie de broodjes haalt. Accepteer dat je voeten nooit helemaal schoon worden totdat je weer thuis bent.

Kamperen dwingt je om te leven met de elementen en met elkaar, op een paar vierkante meter. Of je nu in een lichtgewicht trekkerstentje in Noorwegen zit of in een vijfsterren glamtent in Spanje, de essentie blijft hetzelfde: je bent even weg uit de geoliede machine van het dagelijks leven. En als je dan ’s avonds voor je tentje zit, de krekels hoort en de Melkweg ziet (omdat er eindelijk eens geen lantaarnpalen zijn), snap je ineens weer waarom we al dat gedoe elk jaar opnieuw op ons hals halen.