Het moment dat je bij Kufstein de grens overzoeft en de eerste besneeuwde toppen ziet, gebeurt er iets met je. Voor mij is dat hét teken: de laptop gaat dicht, de telefoon op stil (oké, na die ene foto voor Insta) en de focus gaat op Kaiserwetter, strakke ribbels en veel te dure Schnitzels.
Laten we eerlijk zijn: wintersport in Oostenrijk is voor ons Nederlanders een soort tweede natuur geworden. Frankrijk heeft de hoogte, Zwitserland heeft de chique hotels (en de bijbehorende bankrekening), maar Oostenrijk? Oostenrijk heeft de Gemütlichkeit. Als je ooit met je skischoenen nog aan op een houten bankje in de zon hebt gezeten met een Germknödel voor je neus, weet je precies wat ik bedoel. Bij Travelzone hebben we in de loop der jaren tientallen gebieden bezocht, van de mondaine straten van Lech tot de feestbunkers in Gerlos.
In dit artikel neem ik je mee langs de skigebieden die er écht toe doen. Geen droge opsommingen van liften, maar eerlijk advies over waar je moet zijn voor de beste sneeuw, de wildste feestjes of juist de rustigste pistes.
De ‘Grote Jongens’: Skigebieden waar je geweest moet zijn
Als je blind een dartpijl op de kaart van Oostenrijk gooit, raak je waarschijnlijk een skilift. Maar er zijn een paar gebieden die qua kilometers, infrastructuur en sfeer toch wel echt in de Champions League spelen. Dit zijn de plekken waar ik mijn vrienden naartoe stuur als ze vragen: “Waar moeten we dit jaar heen?”
Ski Arlberg: De wieg van het skiën
Niet goedkoop, wel geniaal. Dat is Arlberg in een notendop. Sinds de verbinding tussen St. Anton en Lech/Zürs er ligt, is dit het grootste aaneengesloten skigebied van Oostenrijk. Wat ik hier zo tof vind, is het verschil in sfeer. In St. Anton is het ruig; de pistes zijn er uitdagend en na vieren breekt de hel los in de MooserWirt (daarover later meer). Ski je echter richting Lech, dan zie je ineens minder studenten en meer bontjassen. De pistes worden breder, het tempo zakt iets en de lunch wordt luxer (en duurder).
Het mooie aan Arlberg is de sneeuwkwaliteit. Door de ligging in het uiterste westen pakken ze vaak de eerste dump mee. Ik heb hier dagen gehad dat ik tot mijn middel in de poeder stond, terwijl het in de rest van de Alpen groen was.
Skicircus Saalbach-Hinterglemm-Leogang-Fieberbrunn
Een hele mond vol, en dat is terecht. Dit gebied heeft de afgelopen jaren zo bizar veel geïnvesteerd in liften dat je bijna vergeet dat je aan het sporten bent. Waar je vroeger nog wel eens in een trage tweezitter zat te bevriezen, zit je nu overal in verwarmde gondels. Sinds de aansluiting met Zell am See (via de zellamseeXpress) is de variatie hier eindeloos.
Mijn tip hier: start je dag vroeg in Leogang. De pistes zijn daar vaak net iets rustiger in de ochtend, en je kunt dan een enorme tocht maken richting Hinterglemm voor de lunch. Let wel op: de dalafdalingen in Saalbach kunnen aan het einde van de dag behoorlijk papperig en druk zijn. Slalomskiën om vallende beginners hoort er daar een beetje bij.
Serfaus-Fiss-Ladis: Het familie-walhalla
Heb je kinderen? Stop dan maar met zoeken. Ik heb zelden een gebied gezien dat zo perfect is ingericht op families. Het klinkt misschien als een marketingpraatje, maar Serfaus-Fiss-Ladis snapt het gewoon. Ze hebben in Serfaus zelfs een ondergrondse metro (de Dorfbahn) zodat je niet met je ski’s en drie jengelende kinderen door het dorp hoeft te sjouwen.
Het skigebied zelf wordt vaak onderschat door de ‘experts’, maar dat is onterecht. De Frommesabfahrt is bijvoorbeeld een van de mooiste lange afdalingen van Tirol. Je bent zo tien kilometer onderweg zonder lift te zien. En ja, het is hier prijzig, maar als je ziet hoe die skischolen georganiseerd zijn, begrijp je waar het geld naartoe gaat.
Tyrol vs. Salzburgerland: Het eeuwige dilemma
Als je de kaart van Oostenrijk bekijkt, zie je grofweg twee giganten: Tirol en Salzburgerland. Vaak krijg ik de vraag wat nou ‘beter’ is. Het antwoord hangt volledig af van wat voor type wintersporter je bent.
De keuze hangt vaak af van deze factoren:
- Houd je van het ruige hooggebergte? Dan wint Tirol bijna altijd. Plekken als Sölden, Ischgl en de gletsjers in het Zillertal liggen simpelweg hoger. Dat betekent vaak betere sneeuw in het voor- en naseizoen, maar ook: kouder en kalere landschappen boven de boomgrens.
- Zoek je die typische Oostenrijkse gezelligheid tussen de bomen? Rij dan door naar Salzburgerland. Gebieden als Hochkönig of de Salzburger Sportwelt zijn landschappelijk gezien wat lievelijker. Je skiet hier veel meer tussen de dennenbossen door, wat bij slecht zicht (sneeuwval of mist) echt een voordeel is omdat je meer diepte ziet.
- De reistijd is voor velen ook een dingetje. Salzburgerland is vanuit Nederland vaak net iets makkelijker aan te rijden omdat je niet over de beruchte Fernpas hoeft. Die pas is op zaterdagwissels echt de plek waar vakantiehumeuren sterven. Vooral Flachau ligt letterlijk náást de snelweg; je stapt uit je auto en in de lift.
De mythische cultuur van de Après-Ski
Laten we niet doen alsof we alleen voor de sport komen. Voor veel Nederlanders is wintersport Oostenrijk: 4 uur skiën, 4 uur in de kroeg. De Oostenrijkse après-ski is een cultureel fenomeen dat je nergens anders ter wereld vindt. Franse après-ski probeert hip te zijn met dure DJ’s, maar in Oostenrijk gaat het om meezingen met foute schlagers en bier uit pullen.
Er zijn een paar plekken die internationaal die legendarische status hebben:
De MooserWirt in St. Anton: Ze beweren dat hier meer bier per vierkante meter wordt verkocht dan waar ook ter wereld. Om half 4 ’s middags klinkt ‘The Final Countdown’ en dan gaan de lichten los. Let wel op: je moet daarna nog een stukje naar beneden skiën. Dat levert jaarlijks hilarische (en soms pijnlijke) taferelen op.
De Cin Cin in Gerlos: Als je het gevoel wilt hebben dat je in een Amsterdamse kroeg staat, maar dan op 1300 meter hoogte. Het personeel spreekt Nederlands, de artiesten zijn Nederlands en het bier vloeit rijkelijk. Je houdt ervan of je haat het, er is geen tussenweg.
De Hohenhaus Tenne in Hintertux/Schladming: Gigantische schuren waar duizenden mensen tegelijk “Anton aus Tirol” brullen. Het is massaal, het is zweterig, en het is absoluut een ervaring die je een keer meegemaakt moet hebben.
Praktische tips voor vertrek
Ik zie het elk jaar weer gebeuren: mensen die onvoorbereid die kant op gaan en zich blauw betalen aan verrassingen of boetes. Oostenrijk is streng, en terecht.
Allereerst: de vignetten. Vroeger moest je krabben aan je voorruit, maar tegenwoordig kun je gelukkig alles digitaal regelen. Zorg dat je dit voor vertrek doet. Let ook op de extra tolheffingen voor tunnels zoals de Arlbergtunnel of de Brennerpas als je zuidelijker gaat. Die zitten niet in je standaard vignet.
Kijk ook kritisch naar je materiaal. De tijd dat je ski’s uit 1998 nog ‘prima’ waren, is voorbij. Door de kunstsneeuw zijn de pistes in Oostenrijk vaak hard en compact (zeker in de ochtend). Met verroeste staalkanten ben je dan gewoon een ongeleid projectiel. Huur ter plekke als je twijfelt. De ‘Gold’ of ‘Premium’ setjes bij de lokale verhuurders zijn vaak de nieuwste modellen van dit seizoen. Het kost wat, maar het skiet zoveel lichter.
En over kosten gesproken: Oostenrijk is duurder geworden. Een skipas in een groot gebied tikt tegenwoordig makkelijk de €70 per dag aan. Voor een lunch op de piste ben je voor een hoofdgerecht en een drankje al snel €25-30 kwijt. Pin je daar niet op vast, maar begroot het wel in. Niets is vervelender dan op vakantie elke euro moeten omdraaien.
Conclusie: De bergen roepen
Uiteindelijk gaat wintersport in Oostenrijk niet om de statistieken, de kilometers of de prijs van de skipas. Het gaat om dat gevoel wanneer je ’s ochtends als eerste in de lift zit, de zon net over de bergkam komt en je alleen het geluid van de wind hoort. Of het moment dat je na een lange dag je stijve skischoenen eindelijk uitdoet en op sokken door het hotel loopt.
Of je nu kiest voor de luxe van Lech, de gezelligheid van Gerlos of de kilometers van het Zillertal: je maakt eigenlijk nooit een foute keuze. Zolang er sneeuw ligt en de Schnitzel heet is, is het leven in de Alpen goed.
