Barcelona is zo’n stad waar iedereen een mening over heeft. Je buurman vond het te druk, je collega was lyrisch over de architectuur, en je tante klaagde over zakkenrollers op de Ramblas. Eerlijk gezegd? Ze hebben allemaal gelijk. Maar dat is precies waarom deze stad zo fascinerend is. Het is een georganiseerde chaos van zon, cultuur en borden vol eten waar je geen nee tegen kunt zeggen. Bij Travelzone.nl zijn we er vaak genoeg geweest om te weten dat je de stad verkeerd kunt aanpakken – door in de rij te staan voor dingen die het niet waard zijn of te lunchen op plekken waar de paella uit de vriezer komt.
Ik weet nog goed mijn eerste keer in de Catalaanse hoofdstad. Ik dacht dat ik “even” van de Sagrada Família naar het strand kon lopen in een half uurtje. Fout. Barcelona is groot, uitgestrekt en, als je in de zomer gaat, plakkerig heet. Maar als je eenmaal weet hoe je de toeristenvallen omzeilt en waar je moet zijn voor een glas vermout tussen de locals, wil je eigenlijk niet meer weg. Laten we het hebben over hoe je deze stad écht ervaart, voorbij de standaard gidsen.
Gaudi: Meer dan alleen die kerk in de steigers
Je kunt niet naar Barcelona zonder Antoni Gaudí tegen te komen. Zijn invloed zit letterlijk in de stenen van de stad gemetseld. Iedereen rent meteen naar de Sagrada Família, en terecht, maar de manier waarop je dat doet maakt het verschil tussen een religieuze ervaring en een frustrerende middag in de brandende zon.
De realiteit van de Sagrada Família is dat hij nooit ‘af’ voelt. Er staan altijd kranen, er wordt altijd geboord. Dat is de charme. Binnenin is het lichtspel echter onwerkelijk. Als je ’s ochtends gaat, vullen de oostelijke ramen de ruimte met koele blauwe en groene tinten. Ga je in de namiddag, dan zorgen de ramen op het westen voor vurig rood en oranje. Het is net alsof je in een caleidoscoop stapt.
Hier zijn een paar harde lessen die ik heb geleerd over het bezoeken van Gaudí’s meesterwerken:
- Koop je tickets online, minimaal twee tot drie weken van tevoren. Ik heb mensen huilend bij de ingang gezien omdat ze dachten “gewoon even een kaartje te kopen”. Dat bestaat niet meer.
- Als je Park Güell bezoekt, neem dan niet de metro naar Vallcarca tenzij je zin hebt in een enorme klim. De roltrappen zijn vaak defect. Een taxi of bus 24 zet je veel dichter bij de ingang af zonder dat je al bezweet aankomt.
- Sla de torens van de Sagrada over als je claustrofobisch bent of slecht ter been. Het uitzicht is oké, maar de smalle wenteltrap naar beneden is voor velen een nachtmerrie.
- Casa Batlló is duur, rond de 35 euro tegenwoordig, maar de audioguide is waanzinnig goed. Casa Milà (La Pedrera) iets verderop is rustiger en het dak is iconisch, maar Batlló wint het qua pure magie.
Nog een tip die vaak vergeten wordt: Casa Vicens. Dit was het eerste huis dat Gaudí ontwierp. Het ligt in de wijk Gràcia, ver weg van de drukte van Passeig de Gràcia. Het is kleurrijk, bijna hysterisch met al die tegeltjes, en je kunt er vaak gewoon naar binnen zonder ellebogenwerk.
Het strandleven: Barceloneta vs. de rest
Het idee van een stad met een strand is perfect. ’s Ochtends cultuur snuiven, ’s middags met je voeten in het zand. Barcelona heeft die luxe, maar laat me je waarschuwen voor Barceloneta. Dit is het strand dat direct aan het oude centrum grenst. Het is iconisch, zeker met het W Hotel (dat zeilvormige gebouw) in de verte, maar het is ook een circus.
Op Barceloneta lig je handdoek aan handdoek. Elke dertig seconden komt er iemand langs die roept: “Cerveza, beer, mojito?”, “Massage?”, of die kleden wil verkopen. Gezellig als je van reuring houdt, maar als je wilt ontspannen is het een uitdaging. De zee is hier bovendien niet op zijn schoonst door de drukke haven vlakbij.
Mijn advies? Huur een fiets. Barcelona is verrassend goed te fietsen, met prima fietspaden langs de kust. Fiets vanaf Barceloneta tien minuten naar het noorden. Zodra je de twee torens van de Olympische haven voorbij bent, kom je bij Nova Icaria en Bogatell.
- Bogatell wordt bezocht door locals en volleybalspelers. De sfeer is hier relaxter, het zand voelt schoner en je hebt ruimte om te ademen.
- Zoek de ‘Chiringuitos’ (strandtentjes) op voor de lunch, maar check wel even de prijzen. Bij plekken als Xiringuito Escribà eet je geweldige vis, maar je betaalt er ook voor. Reserveren is in het weekend noodzakelijk.
- Pas op je spullen. Echt waar. Barcelona is de hoofdstad van de zakkenrollers in Europa. Laat nooit, maar dan ook nooit, je tas onbewaakt achter als je even de zee in duikt. Ook niet op de rustigere stranden.
Eten: Van toeristenval tot culinaire hemel
Toen ik voor het eerst in Barcelona was, liep ik direct de La Boqueria markt op. Het ziet er prachtig uit: bergen fruit, verse vis, hammen die aan het plafond hangen. Maar zodra je drie stappen zet, sta je vast. Het is filelopen tussen de selfie-makende toeristen. De prijzen bij de kraampjes vooraan zijn soms het dubbele van wat je achterin betaalt.
Wil je sfeer proeven op een markt? Ga naar Mercat de Santa Caterina (met dat golvende, kleurrijke dak) of Mercat de Sant Antoni. Hier doen de Catalaanse omaatjes hun boodschappen en kun je voor een normale prijs manchego en chorizo kopen.
En dan het ritme. Nederlanders zijn gewend om om 18:00 uur aan tafel te gaan. In Barcelona zijn de restaurants dan vaak nog dicht, of er zitten alleen maar andere Noord-Europeanen. Het echte leven begint pas na 21:00 uur.
Het tapas-verhaal is ook iets waar je even doorheen moet prikken. Veel tenten op de Ramblas serveren ’tapas variadas’ – dat zijn vaak opgewarmde happen die er al de hele dag liggen. Zoek naar plekken waar het druk is, lawaaiig en waar de obers nauwelijks tijd voor je lijken te hebben. Dat is meestal een goed teken.
- El Xampanyet in de wijk El Born is legendarisch. Het is er krap, je staat half tegen de bar gedrukt, maar de huisgemaakte cava en de ansjovis zijn ongeëvenaard.
- Bestel ‘Pan con Tomate’ bij elke maaltijd. Het klinkt saai (brood met tomaat), maar de combinatie van geroosterd kristalbrood, knoflook, olijfolie en verse tomatenpulp is heilig in Catalonië.
- Probeer eens een ‘Menú del día’ voor de lunch. Voor 12 tot 15 euro krijg je vaak een voorgerecht, hoofdgerecht, toetje en een drankje. Dit is hoe de werkende bevolking eet, en de kwaliteit is vaak verrassend goed.
- Laat de sangria staan. Locals drinken dit zelden. Bestel liever een ‘Tinto de Verano’ (rode wijn met citroenlimonade) of gewoon een Cava. Veel frisser en minder hoofdpijn de volgende dag.
Een persoonlijke favoriet voor een avondje uit is Carrer de Blai in de wijk Poble Sec. Dit is een straat vol met pintxos-barretjes (Baskische tapas op stokjes). Je pakt wat je lekker vindt van de bar, bewaart de stokjes, en rekent aan het eind af op basis van het aantal stokjes. Het is goedkoop, chaotisch en waanzinnig gezellig. Voor 15 euro zit je bomvol en heb je twee drankjes op.
Conclusie
Barcelona is geen stad om af te vinken. Als je probeert om Park Güell, de Sagrada, het strand, de gotische wijk én Camp Nou in twee dagen te proppen, ga je kapot. De stad vraagt om een ander tempo. Het gaat om dat moment dat je verdwaalt in de smalle straatjes van de Barri Gòtic en stuit op een pleintje waar iemand gitaar speelt. Of die middag dat je besluit niks te doen behalve mensen kijken op een bankje aan de Passeig de Sant Joan.
Pak goede schoenen in, want je gaat kilometers maken. Laat je horloge in je tas zitten en pas je aan aan het Spaanse ritme. Eet laat, slaap uit, en maak je niet druk als de bediening wat langer duurt. Dat hoort erbij. Barcelona is een stad die je moet voelen, niet alleen moet bekijken. Veel plezier!
