Parijs. Tja, wat valt er nog te zeggen over de stad waar elke film, elk boek en ongeveer de helft van je Instagram-feed over lijkt te gaan? Het is makkelijk om cynisch te doen over de Stad van het Licht. “Het is er vies,” zeggen mensen dan. Of: “De Fransen zijn zo arrogant.” En eerlijk is eerlijk: als je op een regenachtige dinsdag in een overvolle metro staat en iemand duwt zonder pardon zijn elleboog in je ribbenkast, voel je die romantiek ver te zoeken.
Maar hier is het ding: ondanks de drukte, de prijzen die soms nergens op slaan en de occasionele chaos, kruipt Parijs onder je huid. Ik ben er inmiddels tientallen keren geweest voor Travelzone.nl – van low-budget trips met een lekkende tent aan de rand van de stad tot chique persreisjes in hotels waar de zeepjes meer kosten dan mijn weekboodschappen. Elke keer ontdek ik weer iets nieuws, of word ik opnieuw verliefd op iets ouds.
In deze gids ga ik je niet vertellen dat je “de magie van Parijs moet ervaren”. Dat is folderpraat. Ik ga je vertellen hoe je de rijen omzeilt, waar je een croissant haalt die niet naar karton smaakt, en waarom je de Mona Lisa misschien beter kunt overslaan.
De Grote Klassiekers (en hoe je ze overleeft)
Je gaat naar Parijs, dus je wilt de Eiffeltoren zien. Logisch. Het blijft een bizar bouwwerk, zeker als je bedenkt hoe mensen het in 1889 haatten. De meeste mensen maken echter de fout om er midden op de dag heen te gaan, in de rij te gaan staan voor de lift en vervolgens drie uur kwijt te zijn.
Mijn advies? Ga met de trap. Serieus. Het is goedkoper, de rij is bijna altijd korter (behalve in hartje juli misschien), en je krijgt er een flinke work-out bij. Je voelt de structuur van de toren trillen en kraken terwijl je klimt; dat mis je compleet in die benauwde liften. Eenmaal op de tweede verdieping kun je alsnog de lift naar de top pakken als je per se wilt, maar het uitzicht vanaf de tweede is eigenlijk beter omdat je de stad nog echt kunt zíén in plaats van dat het een abstracte google-maps kaart wordt.
Oh, en voor de perfecte foto stopt iedereen bij Trocadéro. Prachtig, maar stervensdruk in de ochtend. Loop liever via de Bir-Hakeim brug. Ja, die van die film Inception. Het uitzicht op de toren is daar waanzinnig en je staat niet met vijfhonderd selfie-sticks in je nek te hijgen.
Het Louvre: Strategisch plan van aanpak
Het Louvre is overweldigend. Het is zo idioot groot dat als je elk kunstwerk 30 seconden zou bekijken, je er een maand zou wonen. De grootste teleurstelling voor veel mensen is de Mona Lisa. Ze is klein, ze hangt achter dik glas, en je ziet haar waarschijnlijk alleen via het schermpje van de smartphone van de persoon voor je.
Doe jezelf een lol en duik de Richelieu-vleugel in. Daar hangen de appartementen van Napoleon III en die zijn zó over-the-top goud en fluweel, in mijn ervaring vaak indrukwekkender dan de schilderijen voor de gemiddelde bezoeker. En het is er rustig. Je kunt er ademen.
Nog een tip die veel mensen vergeten: Parijs stikt van de kleinere musea die vaak leuker zijn. Musée d’Orsay (in dat oude treinstation) is fantastisch voor impressionisten, en Musée Rodin heeft een tuin waar je echt even tot rust komt tussen de beelden. Veel relaxter.
Struinen door wijken: Montmartre en Le Marais
Iedereen wil naar Montmartre voor dat Amélie-gevoel. Het probleem is dat Place du Tertre, dat pleintje met die schilders, verworden is tot een toeristenfuik van de buitencategorie. De “kunstenaars” daar vragen de hoofdprijs voor karikaturen en de restaurants serveren opgewarmde prak voor de prijs van goud.
Maar loop je twee straten verder, de heuvel áchter de Sacré-Cœur af, dan wordt het stil. Rue des Saules, Rue de l’Abreuvoir… daar vind je huizen met klimop, die ene kleine wijngaard die Parijs nog rijk is (Clos Montmartre) en het roze huisje (La Maison Rose). Ga hierheen rond een uur of 9 ’s ochtends, als de rest van de stad nog wakker wordt en de leveranciers hun kratjes uitladen. Dan voelt het echt nog als een dorp.
Voor het shoppen en slenteren is Le Marais mijn absolute favoriet. Het is hip, ja, en in het weekend kun je er over de koppen lopen, maar de sfeer is ongeëvenaard. Oude scheve panden, kleine boetiekjes en de beste falafel van de stad. Er is altijd een strijd gaande tussen L’As du Fallafel en de tent ernaast. De rij bij L’As is gigantisch, maar het gaat snel en het is – ik zweer het – die 8 euro waard. Eet het niet lopend, dat wordt een knoeiboel. Zoek een bankje op Place des Vosges.
Vervoer: De Metro is je beste vriend (en vijand)
Vergeet taxi’s in het centrum. Het verkeer in Parijs staat altijd vast en de meters tikken genadeloos door. De metro is het antwoord. Het systeem is oud, het ruikt er naar een specifieke mix van rubber en stof (je gaat die geur herkennen, geloof me), maar het brengt je overal.
Een paar ongeschreven regels die je leven makkelijker maken:
- Ga niet links op de roltrap staan. Parijzenaars hebben haast en ze zullen je zuchtend en steunend aan de kant duwen. Rechts staan, links lopen.
- Deurknopjes. In de oudere metrostellen gaan de deuren niet vanzelf open. Je moet aan een hendel trekken of op een knop drukken. Ik heb toeristen stations zien missen omdat ze passief voor de deur bleven staan wachten.
- Bewaar je kaartje tot je buiten staat. Er wordt veel gecontroleerd, vaak in de gangen net na de poortjes. Geen kaartje is 50 euro boete, direct te betalen. Geen discussie mogelijk.
- Citymapper is beter dan Google Maps in Parijs. Het geeft precies aan in welk treinstel je moet zitten om bij je overstap goed uit te komen.
Qua kaartjes: de papieren kaartjes verdwijnen langzaam. Koop een Navigo Easy pas (een soort OV-chipkaart) bij een loket en laad daar ritten op. Scheelt je gedoe met demagnetiserende magneetstrips.
Eten en Drinken: Vermijd de ‘Menu Touristique’
Parijs is een culinair walhalla, maar je kunt er ook verschrikkelijk slecht eten als je niet oplet. Een gouden regel: als er buiten een bord staat met foto’s van het eten, of als er een ober buiten mensen naar binnen probeert te praten, loop dan door. Goede restaurants in Parijs hebben geen proppers nodig.
Een fenomeen dat je moet proberen is de “Bouillon”. Oorspronkelijk waren dit kantines voor arbeiders, nu zijn het prachtige art-nouveau eetzalen waar je klassiek Frans eet voor een prikkie. Bouillon Chartier of Bouillon Julien zijn mijn favorieten. Verwacht geen culinaire hoogstandjes met pincetjes, maar wel eerlijk eten. Een oeuf mayonnaise (ei met mayo) voor 2 euro, een steak frites voor een tientje. De obers schrijven de bestelling op je papieren tafelkleed. Het tempo ligt hoog, het is luidruchtig, maar de sfeer is onbetaalbaar.
En water? Dat bestel je gewoon als “une carafe d’eau”. Dat is kraanwater en het is gratis en verplicht bij een maaltijd. Laat je geen dure fles Spa (“eau minérale”) aansmeren als je dat niet wilt.
Overnachten: Klein maar fijn (of duur)
Laten we realistisch zijn over hotels in Parijs: de kamers zijn klein. Echt klein. Als je je koffer openklapt, kun je soms de badkamer niet meer in. Dat hoort erbij. Tenzij je bereid bent honderden euro’s per nacht neer te leggen, gebruik je je hotelkamer in Parijs echt alleen om te slapen.
Kijk eens buiten de ring van de bekende arrondissementen. Canal Saint-Martin (10e arrondissement) is superleuk, vol met locals die langs de gracht borrelen (“apéro”), en de hotels zijn er vaak net iets betaalbaarder en moderner dan in het Quartier Latin.
Tot slot
Parijs vraagt wat van je. Je voeten gaan pijn doen van het vele lopen, je zult je waarschijnlijk een keer ergeren aan een norse ober en je portemonnee loopt sneller leeg dan gepland. Maar dan loop je ’s avonds langs de Seine, zie je de lichten weerspiegelen in het water en hoor je ergens in de verte accordeonmuziek (ja, cliché, maar het gebeurt echt), en dan weet je weer waarom dit de meest bezochte stad ter wereld is.
Plan niet te veel. De mooiste momenten in Parijs overkomen je als je net de verkeerde straat inloopt en op een pleintje stuit waar oude mannetjes Jeu de Boules spelen. Veel plezier!
